Want de HERE troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des HEREN; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang.Jesaja 51:3
Wanneer we het laatste deel van de Bijbel lezen, zien we een aantal elementen uit het eerste deel van de Bijbel terugkomen. De fundamenten van de muur van het nieuwe Jeruzalem zijn versierd met allerlei edelgesteente. Eén daarvan is chrysopraas. De straat van de stad is zuiver goud. Chrysopraas en goud worden ook in Genesis 2 met name genoemd.
Er stroomt in het nieuwe Jeruzalem ook een rivier van water des levens. Zoals de rivier, die in Eden ontsprong, de hof bevochtigde en voor leven zorgde. We lezen verder over het geboomte des levens, die herinnert aan de boom des levens uit het paradijs.
Zo staat het Woord van de Here aan ons ingeklemd tussen het paradijs waar het mee begon en het paradijs waar we naartoe op weg zijn. Van beide kunnen we ons bijna geen voorstelling maken. Het eerste hebben we door eigen schuld verspeeld. Het tweede is nog niet gekomen. We wandelen nog in geloof, niet in aanschouwen.
De Bijbel is geschreven aan mensen, die leven in de tijd daar tussenin. Aan mensen, die niet in het paradijs leven, maar in de woestijn. Die mensen worden opgewekt om te gaan geloven in de HERE. De almachtige Schepper van de hemel en de aarde, die in liefde naar zijn zondige volk omziet om het te troosten en om de schepping nieuw te maken.
Dat Woord mocht ook Jesaja verkondigen aan de Israëlieten die in ballingschap zouden gaan. Israël had lang in Kanaän mogen wonen. Na een barre tocht door de woestijn waren ze daar aangekomen. Kanaän was een paradijselijk land, vloeiend van melk en honing. De ballingschap betekende eigenlijk opnieuw een verdrijving uit het paradijs. Daar was nog bij gekomen, dat Jeruzalem in puin lag. Jeruzalem was de plaats waar de HERE zijn naam had doen wonen. De naam van God, waarin de Almachtige en Heilige van Israël heel dichtbij zijn volk was. De naam, die voor het schuldige volk de reddingsboei was die door de HERE zelf was uitgeworpen om aan te grijpen en vergeving te ontvangen voor al hun zonden.
Het Woord van God, dat Jesaja dan mag verkondigen aan het volk in de woestijn, is uitzicht op een vernieuwd paradijs. Een nieuw Jeruzalem, waar de tent van God bij de mensen is en God zelf bij hen is. Een plaats waar alle kostbaarheden van het paradijs aanwezig zullen zijn.
Daarmee troost de HERE zijn volk. Onder troost verstaan wij vaak een goed bedoelde arm om de schouder, waarmee we zeggen: ‘je kunt er niets aan doen, het geeft niet, ik zal er zo goed mogelijk voor je zijn, hoewel ik je je problemen niet kan oplossen’. Dan is de troost die de HERE geeft toch wel heel anders. Hij troost door te verlossen. Dan moet eerst de schuld weg. Hij heeft ons eerst zelf uit het paradijs verdreven. Dat deed Hij, omdat wij het niet waard zijn om in het paradijs te leven. Maar dat deed Hij ook om tot ons hart te spreken met het doel om dat hart van ons weer te heroveren. Dat wij ons weer naar Hem toekeren en dan in zijn hart zien. Dan zien we een genadig God, die zich over zijn volk ontfermt. Dat is een ontferming die veel verder gaat dan een goed bedoelende schouderklop. Maar het is de ontferming van een God, die ook daadwerkelijk verlost. De zonde wordt weggedaan en ook de puinhopen. En het nieuwe paradijs komt.
Dat is de reden dat Gods kinderen mogen zingen. Met een diepe blijdschap. Tot lof van de HERE. Dat is een vreugde, niet eens zozeer vanwege het prachtige paradijs, waarvan we mogen gaan genieten. Maar veel meer nog vanwege de HERE, die wij opnieuw hebben mogen leren kennen. Hij zal bij ons zijn. Het begin van die vreugde mag ons al beheersen op het moment dat dit evangelie verkondigd wordt. Want door het geloof in onze Here Jezus Christus wil God nu al bij ons zijn.

ds L.Heres